Niet in gebruik
vrijdag 3 september 2010
Welkom op de site van
 

Fantastisch

“Integratie is de grote Nieuwe Sociale Kwestie van de komende decennia. Onze geloofwaardigheid hangt wat mij betreft meer dan op welk onderwerp dan ook, af van hoe wij het er hier van af brengen. Wij zullen de leiding moeten nemen.” Dit was – in zijn eigen woorden – de boodschap van PvdA-leider Wouter Bos tijdens het congres van zijn partij in Breda afgelopen zaterdag. Ik wil graag geloven dat hij het meent. Het zou fantastisch zijn als de PvdA vanaf nu bereid zou zijn mee te werken aan échte oplossingen voor de integratieproblematiek.

Dat moet beginnen met het niet meer toelaten van kansarme immigranten. Dweilen met de kraan open is zinloos. De integratieproblematiek is veroorzaakt door het toelaten van vele honderdduizenden kansarme immigranten. Een stop is de onontkoombare eerste stap die gezet moet worden.

Werken moet noodzakelijk worden gemaakt voor iedereen die kàn werken. Werken is integreren. Nu werkt slechts de helft van de immigranten uit de niet-westerse landen. In de praktijk is het mogelijk er voor te kiezen om met een uitkering en de vele daaraan verbonden faciliteiten aan de kant te blijven staan. Dat is de tweede oorzaak van de integratieproblematiek en die mogelijkheid moet dus komen te vervallen.

Politie en justitie moeten overgaan op een lik op stuk-aanpak, om te beginnen in de probleemwijken van de grote steden. Veel wangedrag en criminaliteit is gerelateerd aan de integratieproblematiek. Wie gepakt wordt na het plegen van een misdrijf, moet standaard achter slot en grendel blijven tot de straf is uitgezeten. Dát zet aan tot ander gedrag!

Probleemgezinnen moeten krachtig en consequent tegemoet getreden worden. In plaats van een warboel van langs elkaar heen werkende hulpverleners en medewerkers van politie en justitie, moet er één begeleider voor ieder probleemgezin komen. Een begeleider die de beschikking heeft over alle benodigde informatie en aan wie alle bevoegdheden zijn toevertrouwd.

Voor de islam moet evenveel ruimte blijven als voor andere godsdiensten. Maar zij die zich permitteren – met een verwijzing naar hun geloof – vrouwen of homo’s te discrimineren of de integratie van moslims in onze samenleving tegen te werken (salafisten), die horen hier niet thuis. Dat moet hen ondubbelzinnig duidelijk gemaakt worden.

Het zou werkelijk fantastisch zijn als de PvdA mee gaat werken aan echte oplossingen!

Geplaatst op 17 jun. 2008.

Vreemdelingenrechters

De Nijmeegse hoogleraar rechtssociologie Kees Groenendijk stelde onlangs in zijn afscheidsrede dat rechters die vreemdelingenzaken behandelen zich gefrustreerd voelen door de uitspraken in hoger beroep van de Raad van State. Van de 24 door hem geïnterviewde vreemdelingenrechters zouden de meesten zich negatief hebben uitgelaten over de Raad van State. Deze rechters beklagen zich erover dat hun te weinig mogelijkheden gegund worden om een beslissing op een asielverzoek inhoudelijk te behandelen. Zij zouden daardoor zelfs in gewetensnood zijn gekomen.
Deze rechters en Groenendijk slaan de plank helemaal mis.

De gehele rechtsgang inzake vreemdelingenzaken lag oorspronkelijk exclusief bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Slechts 1 op de 20 beslissingen inzake vreemdelingenzaken van de verantwoordelijke bewindspersoon werd vernietigd. Nadat de rol van de Raad van State was overgenomen door de rechtbanken, liep het vernietigingspercentage bij sommige rechtbanken op tot boven de 60. Omdat er geen hoger beroep bestond, hadden de rechters het laatste woord. Niet de politiek-verantwoordelijken, maar de rechters maakten uit wie wel of niet een verblijfsvergunning voor ons land kregen. In de nieuwe Vreemdelingenwet van 2000 koos de wetgever ervoor het hoger beroep in te voeren en dat bij de Raad van State te leggen. Dat was zeer verstandig, zo is inmiddels wel gebleken.

De Raad van State heeft, zoals door de wetgever werd beoogd, de teugels van de jurisprudentie weer aangetrokken en daarmee het primaat van de politiek hersteld: niet de rechters maar de bewindspersoon is verantwoordelijk voor het vreemdelingenbeleid. De rechters is duidelijk gemaakt dat het uitsluitend aan de bewindspersoon is om - op grond van objectieve maatstaven - te beoordelen of een asielverhaal geloofwaardig is. De rechter mag dat asielverhaal vervolgens niet zelf opnieuw gaan beoordelen, maar slechts nagaan of de bewindspersoon in redelijkheid tot zijn oordeel kon komen. Pas als daarvan geen sprake is, is vernietiging op haar plaats. Dit wordt de marginale toetsing genoemd.

Het is ook volkomen logisch dat het niet aan een rechter, maar aan de verantwoordelijke bewindspersoon is om een asielrelaas te beoordelen en daar een beslissing over te nemen. Anders dan rechters worden bewindspersonen door het parlement gecontroleerd en weggestuurd als zij hun werk niet goed doen. Rechters kunnen tot hun zeventigste blijven zitten, hoe ze hun werk ook doen.

Een tweede pijnpunt voor de klagende rechters is de wijze waarop de Raad van State omgaat met de ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken over asielzoekers en de landen waaruit zij afkomstig zijn. De lijn van de Raad van State is dat het aan de overheid is om ambtsberichten op te stellen en aan de bewindspersoon om daar verantwoording over af te leggen aan het parlement. Rechters moeten accepteren dat de voor het vreemdelingenbeleid verantwoordelijke bewindspersoon zijn oordeel over de geloofwaardigheid van een asielrelaas baseert op een ambtsbericht. Vaak is het echter zo dat een rechter een ambtsbericht ziet als een op zichzelf interessante opvatting, waar andere opvattingen tegenover kunnen staan. Vervolgens zou het aan de rechter zijn om zijn afweging te maken. Dat is dus een misvatting. In het ambtsbericht is al met de diverse relevante opvattingen rekening gehouden en de afweging is al door de bewindspersoon gemaakt.

Mijn conclusie: het is van het grootste belang dat het hoger beroep in vreemdelingenzaken blijft bestaan en in handen blijft van de Raad van State. Dat is bij de totstandkoming van de Vreemdelingenwet theoretisch beredeneerd en door de praktijk bevestigd.

Het is een gotspe dat rechters in gewetensnood zouden komen als ze in onze goed functionerende democratie door de Raad van State ertoe gezet worden zich meer gelegen te laten liggen aan het oordeel van de verantwoordelijke bewindspersoon dan aan hun eigen persoonlijke oordeel. Dat getuigt van een bedenkelijke opvatting over de rolverdeling tussen rechter en politiek. De rechter is er niet om de veronderstelde 'scherpe kantjes' van het gevoerde vreemdelingenbeleid af te halen.

Ten slotte nog enkele opmerkingen over het zeer summiere onderzoek waarop Groenendijk zich baseert. Ten onrechte is de indruk gewekt dat de rechters allemaal negatief zouden zijn over de Raad van State. Er is slechts met een klein aantal rechters gesproken en er waren er evenveel die zich neutraal of positief uitlieten.

Dat de bewindspersoon in hoger beroep vaker in het gelijk gesteld wordt dan de vreemdelingen, is niet zo opmerkelijk. De helft van alle asielverzoeken wordt al gehonoreerd en de overigen zijn beoordeeld door de bewindspersoon en de rechters. Slechts geselecteerde zaken worden vervolgens door de bewindspersoon aan de Raad van State voorgelegd, terwijl de asieladvocatuur er een gewoonte van heeft gemaakt om bij elke zaak, ook de kansloze zaken, zo lang mogelijk door te procederen.

Geplaatst op 20 mei. 2008.

Leugenaar

1 april 2008 was een historische dag in de Tweede Kamer. De fractievoorzitters debatteerden met premier Balkenende en de ministers Hirsch Ballin en Ter Horst. Onderwerp was de vijf dagen daarvoor op het internet verschenen korte film waarmee Geert Wilders zijn thema koran = islam = moslims = geweld illustreerde. Hirsch Ballin stelde tijdens het debat dat Wilders hem vooraf – tijdens een bespreking op 7 november 2007 – had geïnformeerd over de inhoud van de film. Bij die bespreking waren ook minister Ter Horst en een ambtenaar aanwezig en er was een vertrouwelijk verslag gemaakt.

Wilders ontkende niet dat de bespreking had plaats gevonden. Hij ontkende wèl  bij die of een andere gelegenheid vooraf informatie over de inhoud van zijn film te hebben gegeven. De ministers waren volgens Wilders leugenaars en bedriegers en het gespreksverslag een vod. Eerder had hij de premier al een lafaard genoemd vanwege diens voorzorgsmaatregelen naar aanleiding van een nog niet verschenen film waarvan hij de inhoud niet zou hebben gekend.

Het moet vooral niet ingewikkelder gemaakt worden dan het is. Er zijn twee mogelijkheden: Hirsch Ballin loog of Wilders loog.

Als Hirsch Ballin loog, loog ook Ter Horst en maakte een ambtenaar een vals gespreksverslag op. Dat zou een in de Nederlandse parlementaire geschiedenis ongekend schandaal zijn. Beide ministers moeten alsnog onmiddellijk aftreden en met hen premier Balkenende en de andere leden van zijn vierde kabinet.

Als Wilders loog, dan zou hij de Nederlandse bevolking hebben misleid en volkomen ten onrechte bewindslieden op grove wijze hebben beledigd. Dit politieke vandalisme mag dan niet zonder correctie blijven.

Volgens een enquête die daags na het debat werd gepubliceerd twijfelen de Nederlanders. Een derde denkt dat Hirsch Ballin loog, een kwart weet het niet en de overigen denken dat Wilders loog.

Kamervoorzitter Verbeet ziet dat niet als een probleem. Namens het presidium van de Tweede Kamer verwees zij naar het met 141 tegen 9 afstemmen van de door Wilders ingediende motie van wantrouwen tegen het kabinet. De Kamer – met uitzondering van de PVV-fractie – sprak zo uit niet te geloven dat Hirsch Ballin heeft gelogen. Daarmee is de kous af, zo redeneert Verbeet.
 
Voorafgaand aan de presidiumvergadering sprak ik begin vorige week op verzoek van Mark Rutte met een aantal Kamerleden van diverse fracties. Ik wilde nagaan of voldoende steun gevonden kon worden voor een kort en krachtig eigen onderzoek van de Kamer naar wat zich precies heeft afgespeeld. Helaas bleek dat niet zo te zijn. Het was van belang geweest te weten wat de ambtenaar die bij het bewuste gesprek aanwezig was daarover kon verklaren. Ook had ik graag willen weten of Hirsch Ballin en Ter Horst de informatie die zij van Wilders kregen deelden met de premier.

Los van dit onderzoek blijf ik nog met twee andere vragen zitten. Hoe kon het zover komen dat minder dan de helft van de bevolking aanneemt dat de bewindslieden de waarheid spreken tijdens een debat in het parlement? Wat is er met Wilders aan de hand en wie corrigeert hem?

Geplaatst op 13 apr. 2008.

Verantwoordelijkheden

Het is de taak van de politici om problemen in de samenleving te signaleren, te analyseren en met elkaar te bediscussiëren. Die discussie moet er toe leiden dat de gesignaleerde problemen zo snel mogelijk worden aangepakt en opgelost. Daartoe beschikken de politici over de overheid.

Voor signaleren alléén kopen de mensen in ons land natuurlijk helemaal niets. Vooral niet als het gaat om het signaleren van problemen die al lang en breed bij iedereen bekend zijn. Ik denk aan het zich afzetten van een deel van de moslims tegen onze moderne westerse samenleving, aan hun onverdraagzaamheid en aan de reële terroristische dreiging die van moslimextremisten uitgaat. Daar is Geert Wilders of de door hem aangekondigde film over de “fascistische koran en de barbaar Mohammed” niet voor nodig.

In een discussie met de regering blijkt volksvertegenwoordiger Wilders niet geïnteresseerd te zijn. Binnen een week scheldt hij premier Balkenende uit voor beroepslafaard en voegt hij minister Verhagen toe dat hij de pot op kan. Dat heeft niets te maken met discussiëren met als doel problemen op te lossen, maar alles met provoceren en uitdagen met als doel … Ja, met welk doel eigenlijk?

Het nettoresultaat van de activiteiten van Wilders is dat bestaande problemen worden vergroot en nieuwe gecreëerd. Zoals het probleem van de te vrezen reacties van onverdraagzamen en extremisten op de door hem aangekondigde film. Die reacties kunnen onschuldige mensen en hun bezittingen in gevaar brengen. De Nederlandse regering is nu eenmaal niet in staat om iedereen die gevaar zou kunnen lopen te laten beveiligen zoals Wilders beveiligd wordt.

Als Wilders met een film komt en in reactie daarop wandaden worden gepleegd met als gevolg materiële schade of zelfs slachtoffers, dan is dat de schuld van de plegers van die wandaden. Maar er is nu al alle reden voor Wilders zich te bezinnen op zijn verantwoordelijkheden als politicus.

Geplaatst op 6 mrt. 2008.

Doodzonde

Er mag geen misverstand over bestaan dat het CDA de forse daling van het aantal asielzoekers en huwelijksimmigranten tijdens de vorige kabinetsperiode mede op zijn conto kan schrijven. CDA en VVD hebben daar eensgezind aan gewerkt en dat was ook hard nodig. Net als het stellen van taal- en inburgeringseisen aan immigranten hard nodig was.

De eensgezindheid tijdens het vorige kabinet Balkenende ging nog verder: gedwongen uitzetten van de afgewezen asielzoekers die ons land niet vrijwillig verlaten; eerder de verblijfsvergunningen intrekken van criminele vreemdelingen; geen buitenlandse imams meer toelaten; dubbele nationaliteit zoveel mogelijk beperken en gezichtsbedekkende kleding verbieden. Het is doodzonde dat het CDA al deze maatregelen na het inwisselen van de VVD voor de PvdA met het grootste gemak weer terugdraait.

Het begon met het dramatische besluit om tienduizenden afgewezen asielzoekers die niet waren vertrokken, collectief van verblijfsvergunningen te voorzien. Ook zij die hadden gelogen over hun identiteit mochten blijven. Het CDA had er geen moeite mee dat de meeste gemeenten de voorselectie van de gegadigden voor het generaal pardon door Vluchtelingenwerk lieten doen. Zo voorkwamen zij dat degenen die afvielen, uitgezet zouden kunnen worden. Ook was het geen punt voor het CDA dat staatssecretaris Albayrak niet wilde zeggen, of – nog erger – niet wilde weten, hoeveel de maatschappelijke kosten van de collectieve verlening van verblijfsvergunningen bedroegen. In een eerste brief aan de Tweede Kamer had zij het over tientallen miljoenen euro, later over honderden miljoenen en inmiddels breekt het inzicht door dat het om miljarden gaat.

Sinds het generaal pardon is de toestroom van asielzoekers weer gestegen en moest besloten worden om 14 nieuwe asielzoekerscentra te openen. Asielzoekers die nu een afwijzing krijgen, blijken helemaal niet meer bereid te zijn om te vertrekken. Waarom niet wachten op een volgende collectieve vergunningverlening? 

Bijna gelijktijdig met het generaal pardon, kwam het nieuwe kabinet Balkenende met het besluit om criminele vreemdelingen “voorlopig” niet eerder uit te zetten. Volgens staatssecretaris Albayrak zou eerst gedurende anderhalf jaar onderzoek gedaan moeten worden naar de preventieve effecten van hun uitzetting. Geen probleem voor het CDA, hoewel iedereen natuurlijk begrijpt dat er helemaal geen onderzoek nodig is om te weten dat criminele vreemdelingen die het land zijn uitgezet, hier geen misdrijven meer kunnen plegen.

Daarmee was het hek van de dam. Eerst bleek dat het CDA niet langer tegen het toelaten van buitenlandse imams was. Versoepeling van de toelatingsregels voor geestelijke bedienaren maakte het zelfs gemakkelijker voor buitenlandse imams om Nederland binnen te komen. Vervolgens werd CDA-minister Hirsch Ballin gesteund toen hij beweerde dat “dubbele nationaliteit geen probleem was, integendeel”. Twee weken geleden was voor het kabinet ook het verbod van gezichtsbedekkende kleding – nota bene op initiatief van het CDA in het regeerakkoord opgenomen – ineens van de baan.

Het is zonneklaar dat het immigratie- en integratiebeleid van de huidige regeringscoalitie haaks staat op dat van de vorige. In beide coalities is het CDA de grootste partij en de leverancier van dezelfde premier. Waar blijft de geloofwaardigheid van de politiek als de grootste regeringspartij eerst het ene zegt en daarna het andere doet? Hoe kun je de hardnekkige immigratie- en integratieproblematiek oplossen als je niet vast houdt aan de ingezette koers?

In de kabinetsperiode 2007 – 2011 had het beleid juist verder aangescherpt in plaats van afgezwakt moeten worden: stoppen met het toelaten van kansarme immigranten, ondersteuning en vooral ook duidelijkheid bieden aan de probleemgezinnen, werken noodzakelijk maken voor iedereen die kàn werken en een consequent lik op stukbeleid van politie en justitie.

Dat gebeurt nu allemaal niet. Voor het oplossen van de immigratie- en integratieproblematiek zal deze kabinetsperiode een verloren periode blijken te zijn en dat is doodzonde.

Geplaatst op 21 feb. 2008.

Verlenging

De Tweede Kamer heeft ingestemd met de verlenging van de inzet van Nederlandse militairen in de Afghaanse provincie Uruzgan. Inclusief een afbouwperiode blijven zij nog drie jaar, tot december 2010.

Het materiële besluit tot verlenging is in het voorjaar genomen door minister-president Balkenende en de ministers Verhagen en Van Middelkoop. Dat kwam naar buiten toen minister Van Middelkoop, enkele maanden nadat hij in februari 2007 was aangetreden, voor de camera’s zei dat het de intentie was om door te gaan. Kennelijk wisten de drie meest betrokken ministers (CDA en CU) zich al verzekerd van de steun van hun PvdA-collega’s.

Veel later volgden nog een militair advies, de instemming van de coalitiefracties, een formeel besluit door het kabinet en tenslotte deze week de instemming van de Tweede Kamer. Ook de VVD-fractie stemde in en mijn fractiegenoten en ik zijn nu medeverantwoordelijk voor de verlenging.

Voor de inwoners van Uruzgan en van Afghanistan als geheel is de verlenging een goede zaak. De Nederlandse militairen hebben het zoals verwacht zeer goed gedaan sinds ze bijna twee jaar geleden begonnen met de opbouw van hun bases in Tarin Kowt en Deh Rawod. Ze zullen het de komende drie jaar net zo goed blijven doen. Samen met hun Australische en Afghaanse collega’s en enkele honderden militairen uit nog vier andere landen vormen de Nederlanders een 3.500 m/v-sterke troepenmacht. Sterk genoeg om de Afghaanse regering in staat te stellen het provinciale bestuur op poten te zetten. Sterk genoeg ook om de opbouwactiviteiten in de provincie uit te breiden.

Als bij de inwoners van Uruzgan de overtuiging groeit dat de aanwezigheid van de buitenlandse militairen in hun belang is en als de Afghaanse troepen in de komende jaren op eigen benen komen te staan, dan kunnen de ontwikkelingen sneller gaan dan nu verwacht wordt. Ik ben daar voorzichtig optimistisch over.

Geplaatst op 20 dec. 2007.

Vragen

Mijn eerste herinneringen aan de Volkskrant dateren uit het midden van de jaren vijftig van de vorige eeuw. In de huiskamer van zijn woning in Enschede zat ik op schoot bij Henk ten Barge, mijn grootvader van moeders kant. Hij las ondertussen de Volkskrant, vertelde mij – zijn eerste kleinkind – over iets dat er in stond en gaf antwoord op mijn vragen. Grootmoeder mopperde: “Laat die jongen toch, dat is nog niets voor hem.” Ze had het helemaal mis, ik vond het juist erg genoeglijk en interessant. Mijn moeder vertelde me later dat dit tafereel zich destijds wekelijks op de zaterdagmiddagen herhaalde.

Ik schat dat ik sindsdien – naast andere dagbladen en tijdschriften – zo’n 10.000 Volkskranten heb gelezen. De krant is een deel van mijn leven en dat van vele andere babyboomers geworden. Wij zijn mede door de Volkskrant gevormd.

Toen de Volkskrant ruim een jaar geleden en vijf dagen voor de Tweede Kamerverkiezingen plompverloren op de voorpagina stelde dat Nederlandse militairen Irakezen hadden gemarteld en dat ik dit als minister van Defensie in de doofpot had gestopt, bleef mijn gevoel voor de krant onveranderd. Zoals de krijgsmacht van veel grotere betekenis is dan degene die op een bepaald moment minister van Defensie is, is de Volkskrant van veel grotere betekenis dan de journalist die een bepaald artikel schrijft.

Nadat later duidelijk was geworden dat journalist Jan Hoedeman de plank mis had geslagen, kwam de krant twee keer op de kwestie terug. Eerst in februari van dit jaar (2007) met een reconstructie door Hoedeman van de gang van zaken rond het artikel. Vervolgens begin december met een samenvatting van en een reactie op de rapportage van een extern onderzoek dat journalist John Jansen van Galen en advocaat Germ Kemper in opdracht van de hoofdredactie instelden. De rapportage zelf is niet gepubliceerd.

Toch is het laatste woord nog niet geschreven. Een jaar geleden kreeg ik geen reële kans weerwoord te geven en de betrokken journalist vóór publicatie te laten weten dat destijds door de Marechaussee ter zake een onderzoek was ingesteld en het Openbaar Ministerie had besloten daar geen vervolg aan te geven. Er was dus geen doofpot. Jansen van Galen en Kemper noemen dat onzorgvuldig, maar namen zelf in het kader van hun onderzoek ook geen contact met mij op. Daarom plaats ik bij dezen mijn kanttekeningen bij hun onderzoeksbevindingen voor zover die blijken uit de samenvatting op de website van de Volkskrant.

Jansen van Galen en Kemper melden dat de bron voor het martelartikel een e-mail is van een gepensioneerde hoge functionaris van Defensie. Bekend is dat zij doelen op generaal Neisingh, oud-bevelhebber van de Marechaussee. Neisingh schreef Hoedeman dat “bij ondervragingen van Irakese gevangenen voortdurend luide muziek was gespeeld om te voorkomen dat ze met elkaar zouden spreken, hen een zak over het hoofd was gedaan en dat met water was gegooid om ze wakker te houden”. Later en nog vóór de publicatie van het artikel liet Neisingh aan Hoedeman weten maar een flard van het gebeuren te hebben meegekregen. Het hele verhaal van Hoedeman was dus gebaseerd op één bron die van-horen-zeggen een flard van iets had meegekregen!

Onvermeld laten Jansen van Galen en Kemper dat Hoedeman samen met Ton Heerts, toen nog kandidaat-Tweede Kamerlid voor de PvdA, Neisingh thuis opzocht om hem te bevragen. Evenmin vermelden zij dat Wouter Bos, destijds lijsttrekker voor de PvdA bij de Tweede Kamerverkiezingen, onmiddellijk na de publicatie van het martelartikel met een verklaring kwam dat de minister van Defensie die dit allemaal in de doofpot had gestopt geen knip voor zijn neus waard was.

Hoedeman vraagt na de ontvangst van de e-mail van Neisingh aan volkenrechtdeskundige Willem van Genugten hoe hij het beoordeelt dat “een krijgsmacht bij verhoren werkt met water, hard geluid en kappen over het hoofd”. In het bewuste artikel laat Hoedeman zijn deskundige spreken over “hoge geluidstonen” en “martelen”. Ik wijs op de subtiele overgang van “luide muziek spelen” via “werken met geluid bij verhoren” naar “hoge geluidstonen”. Later wil Van Genugten de kwalificatie “martelen” niet meer voor zijn rekening nemen.

Een vergelijkbare overgang doet zich nog eens voor: Neisingh heeft het over een zak over het hoofd, Hoedeman vraagt Van Genugten naar zijn reactie op een kap over het hoofd en heeft het dan in zijn artikel over stofbrillen.

Tenslotte blijkt ook dat het tijdstip van publicatie – vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen – bewust is  gekozen. Hoedeman verklaarde tegenover de onderzoekers te hebben gemeend dat “na de verkiezingen de kans op een publiek debat geringer zou zijn”. Kennelijk wilde hij maximale ophef over het vermeende martelen en de doofpot. Daarin is hij geslaagd.

Mijn conclusie is dat ook deze weergave door de Volkskrant van de niet-gepubliceerde rapportage van de twee onderzoekers – net als de reconstructie in februari – interessante informatie bevat. Toch heeft Hoedeman nog een aantal vragen te beantwoorden:

Waarom heeft hij zijn artikel samen met Heerts voorbereid?

Waarom belde hij de avond vóór publicatie Heerts met de mededeling dat “het eindelijk rond was”? Was de reactie waar Bos direct na de publicatie mee kwam voorgekookt?

Heeft hij met betrekking tot de datum van publicatie ook nagedacht over het mogelijke effect van zijn artikel en de onmiddellijk daarop volgende reactie van Bos op de Tweede Kamerverkiezingen enkele dagen later?

Waarom vond hij een mededeling van één bron die van-horen-zeggen een “flard van een gebeuren” had meegekregen voldoende voor zijn martelartikel?

Waarom kreeg Defensie niet de kans hem te informeren over het Marechaussee-onderzoek en het OM-besluit?

Waarom maakte hij van “luide muziek” uiteindelijk “hoge geluidstonen”?

Realiseert hij zich met zijn artikel niet alleen de Nederlandse krijgsmacht maar ook de Volkskrant te hebben beschadigd? Wie had er eigenlijk baat bij het artikel?

Geplaatst op 11 dec. 2007.

Salafisten

De AIVD heeft met “Radicale dawa in verandering; de opkomst van een islamitisch neoradicalisme in Nederland” weer een waardevol rapport met dito analyse en aanbevelingen gepresenteerd. Een wereld van verschil met de multiculti-verhalen die we de laatste tijd van de WRR krijgen.

Sinds 1985 zijn salafisten in Nederland actief, volgens de AIVD “misschien wel de meest ultraorthodoxe stroming binnen de islam”. Zij wijzen de democratische rechtsorde af, omdat God boven de mens zou staan en willen de samenleving hervormen naar streng islamitisch model. De God waar het om gaat is natuurlijk hun interpretatie van dat begrip en zij weten precies wat die God wil: dat wat in de koran staat en hun uitleg daarvan. Het komt er dus op neer dat de salafistische leiders willen gaan bepalen hoe onze samenleving moet worden ingericht.

Natuurlijk hebben de niet-moslims in Nederland geen boodschap aan het salafisme en de overgrote meerderheid van de moslims evenmin. Maar toch kunnen deze islamitische neoradicalen op termijn veel schade aanrichten. Sinds enkele jaren hebben ze hun tactiek veranderd, afstand genomen van het gebruik van geweld en zo hun geloofwaardigheid in de ogen van andere moslims vergroot. Zo’n 20 salafistische imams reizen nu stad en land af en fulmineren in 35 moskeeën en in jongerencentra tegen de democratie en tegen integratie. Enkele tienduizenden moslims in Nederland blijken gevoelig voor de salafistische boodschap en hun aantal groeit. Nieuwe imams zijn in opleiding. Het doel van de salafisten is controle over steeds meer moslims, waarbij om te beginnen vrouwen, homoseksuelen, zogenaamde afvalligen en liberalen het zwaar te verduren krijgen.

De integratie van een deel van de immigranten afkomstig uit islamitische landen verloopt al zeer moeizaam. Actieve tegenwerking door radicale imams is het laatste waar we behoefte aan hebben. Wij moeten onder ogen zien dat het tegenwerken van de integratie door de salafisten een reële bedreiging vormt voor de kwaliteit en stabiliteit van onze samenleving en daarmee voor de belangen van de staat. Ik pleit er voor op de kortst mogelijke termijn het tegenwerken van integratie strafbaar te stellen en effectieve sancties mogelijk te maken. Die sancties moeten bestaan uit het sluiten van de moskeeën die salafistische imams laten prediken; het beëindigen van de subsidiëring van de jongerencentra die deze imams een podium bieden; het uitzetten van de imams die niet de Nederlandse nationaliteit hebben en het ontnemen van de Nederlandse nationaliteit aan degenen die een dubbele nationaliteit hebben, zodat zij vervolgens ook het land uitgezet kunnen worden. Er valt met deze mensen geen goed garen te spinnen en daar moeten we dan ook geen energie aan verspillen.

Hiermee wordt duidelijk dat er met onze democratische rechtsstaat niet te spotten valt, halen we de druk van de islamitische radicalen op de moslimgemeenschap weg en nemen de kansen voor moslims om een volwaardige positie in de Nederlandse samenleving in te nemen toe. We maken het voor onszelf mogelijk ons integratiebeleid te laten slagen en dat is hard nodig. 

Geplaatst op 11 okt. 2007.

Sober

Sietse Fritsma is collega-Kamerlid van de PVV-fractie en werkte tot voor een jaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst IND. De afgelopen dagen bracht hij naar buiten wat hij daar allemaal heeft meegemaakt. Hij deed dat in de vorm van een brief met een nota gericht aan de voorzitter van de Tweede Kamer, een boek en een voorpublicatie uit dat boek in de zaterdageditie van de Telegraaf.
Veel van wat Fritsma naar voren brengt is bijzonder interessant en de moeite waard om grondig te onderzoeken. Ik denk aan zijn verwijzingen naar interne dossiers en circulaires en naar zijn beschrijving van de uitvoeringspraktijk. Wat mij betreft kan hij er op rekenen dat zijn ontboezemingen de aandacht krijgen die ze verdienen. Maar het is goed ook een kanttekening te plaatsen.

Zo schrijft Fritsma: “Het aantal vreemdelingen dat in Nederland asiel aanvraagt, is tien keer kleiner dan het aantal dat op andere gronden een verblijfsvergunning vraagt. … Politiek en media hebben altijd de asielzoeker centraal gesteld in de discussies over het vreemdelingenbeleid. Hiermee is de Nederlandse bevolking (waarschijnlijk bewust) op het verkeerde been gezet ...”

Dat laatste is nogal een beschuldiging. Fritsma zal die hard moeten maken. Vooruitlopend daarop merk ik al vast op dat als gevolg van de aanscherping van het beleid de instroom van asielzoekers tussen 2000 en 2004 daalde van 43.000 tot 10.000. De immigratie uit niet-westerse landen daalde tussen 2001 en 2005 van 65.000 tot 34.000. Het totaal aantal aanvragen van een reguliere verblijfsvergunning (op andere gronden dan asiel dus) is recent met ruim 30 procent gedaald. Het is ook goed te beseffen dat het bij “verblijfsvergunningen op andere gronden dan asiel” niet alleen gaat om huwelijksmigranten, zoals Fritsma lijkt te suggereren, maar ook om bijvoorbeeld buitenlandse studenten die kiezen voor een Nederlandse universiteit en kennismigranten die door het Nederlandse bedrijfsleven worden aangetrokken.

Ik denk dat de immigratieproblematiek zo ernstig is, dat ook wie zeer verontrust is kan volstaan met het sober weergeven van de feiten.

Geplaatst op 1 okt. 2007.

Ego

Het geven van een interview aan een vertegenwoordiger van de schrijvende pers heeft iedere keer weer iets spannends. Niet zozeer het spel van vragen en antwoorden, als wel het afwachten wat daar uiteindelijk van op papier komt.

Routine is inmiddels in Den Haag dat je vóór publicatie de tekst ter inzage krijgt. Zo biedt de journalist de geïnterviewde de gelegenheid aan te geven of sprake is van verkeerde citaten. Het resultaat is dan een geautoriseerd interview.

Ik ben in de afgelopen dertig jaar vaak geïnterviewd en heb enkele keren de neiging niet kunnen onderdrukken de tekst te herschrijven. Ook kwam het wel eens voor dat onenigheid over de tekst leidde tot niet-publiceren. Eén keer besloot ik dat dit het laatste contact met de desbetreffende journalist zou zijn. Maar ik heb het nu over uitzonderingen, in de regel doen zich geen problemen voor.

De afgelopen week ging het echter onverwachts weer mis. Een gesprek thuis in Zutphen met een parlementaire journalist van een ochtendkrant verliep vlot. Bij de tekst die hij de volgende ochtend vroeg mailde, had ik niet één opmerking.

Gisteren werd het interview in de zaterdagkrant gepubliceerd, met tot mijn verbazing een opmerkelijke passage over het ego van Hans Wiegel die in het geheel niet voorkwam in de mij toegezonden tekst. Ik begrijp niet waarom een journalist zoiets doet. Het zou zijn eer te na moeten zijn.

Gelukkig heb ik mijn weblog nog, de weerslag van de ultieme eensgezindheid tussen interviewer en geïnterviewde.

Binnen de grote groep VVD-politici vormen Hans Wiegel en Frits Bolkestein voor mij de buitencategorie. Zij hebben onze partij groot gemaakt en daarmee recht van spreken tot de laatste snik verworven. Dat wil niet zeggen dat ik het altijd met hen eens ben, zoals ze ook onderling wel van mening verschillen. Binnen de VVD geven we allemaal graag onze mening, maar we zijn ook steeds  bereid goed te luisteren naar en te denken over de opvattingen van Wiegel en Bolkestein. Omdat die opvattingen goed doordacht zijn, met grote welsprekendheid naar voren worden gebracht en omdat het hun opvattingen zijn.

Geplaatst op 23 sep. 2007.

Zuinig

Aan de ene kant staan de uitgesproken en zeer diverse opvattingen van de meesten van de 16,4 miljoen Nederlanders over wat de overheid allemaal wel en niet zou moeten doen en wie dat mag betalen. Aan de andere kant hebben we de meerderheidsbesluiten van de volksvertegenwoordiging. Het democratische proces moet op een aanvaardbare wijze de afstand overbruggen tussen de miljoenen opvattingen in het land en de besluiten die aan het Binnenhof worden genomen.

De politieke partijen zijn essentieel voor het goed verlopen van het democratische proces en de bereidheid van de Nederlanders om de resultaten daarvan te accepteren. Dat geldt vooral voor de partijen die al tientallen jaren lang functioneren en het bovendien aandurven regeringsverantwoordelijkheid te dragen. Zij kunnen telkens opnieuw bij verkiezingen afgerekend worden op hetgeen hun politici presteren. Ik denk aan het CDA, de PvdA en de VVD.

Het is van groot algemeen belang zuinig te zijn op deze politieke partijen. De verantwoordelijkheid daarvoor rust in de eerste plaats op de schouders van de politici die door hun partijgenoten naar voren zijn geschoven. Het is aan hen de overheid goed aan te (laten) sturen, de band met de partijleden en kiezers in stand te houden en de partij aan het eind van hun politieke loopbaan weer goed achter te laten.

Dat laatste is dus een belangrijke taak voor àlle politici. In mijn partij, de VVD, ken ik vele mannen en vrouwen die actief lid waren, daarna een tijd lang zelf de kar trokken en nu weer bij politieke bijeenkomsten en tijdens directe persoonlijke contacten met hun opvolgers meedenken. Zij gunnen óók de volgende generatie de al bijna zestig jaar oude Volkspartij voor Vrijheid en Democratie.

Geplaatst op 17 sep. 2007.

Geheugen

Het centrumlinkse kabinet waarmee we in ons land sinds de laatste Tweede Kamerverkiezingen zitten opgezadeld, heeft de Rijksbegroting voor het jaar 2008 rond en de PvdA kan tevreden zijn. Na het succesvolle beleid van de CDA/VVD-kabinetten Balkenende 1 en 2, draait de Nederlandse economie op volle toeren. Voor werklozen zijn er meer vacatures dan ooit en het financieringstekort van de overheid is weggewerkt. In PvdA-ogen is het dus hoog tijd voor potverteren en dat is precies wat er nu gaat gebeuren. De overheid gaat volgend jaar aan van alles en nog wat meer geld uitgeven en financiert dat met belastingverhogingen.

Een echte klapper van twee miljard euro is de verhoging van de BTW tot 20 procent, maar -zo werd er bij gelekt- “dat geld geven we weer terug aan de burgers door de WW-premie voor hetzelfde bedrag te verlagen”. Een treuriger voorbeeld van een sigaar uit eigen doos is niet denkbaar. Dankzij de voortdurende daling van het aantal werklozen, werd vorig jaar twee miljard euro minder aan werkloosheidsuitkeringen uitgegeven dan aan premies over de lonen van de werknemers werd ingehouden. Dus kondigde toenmalig minister De Geus juni vorig jaar al een forse verlaging van de WW-premie aan.  Aldus geschiedt nu, maar minister Bos pakt met zijn BTW-verhoging de burgers dat geld direct weer af.

Een besluit van het nieuwe kabinet over de missie van de Nederlandse krijgsmacht in het Afghaanse Uruzgan blijft nog uit. De Nederlandse militairen doen er bijzonder goed werk en hebben voor de geteisterde bevolking in een troosteloze uithoek van de wereld een begin van een omslag weten te bewerkstelligen. Maar, pacificeren en opbouwen van Afghanistan is een wereldklus en dus ook een verantwoordelijkheid voor alle landen in de hele wereld. De NAVO treedt op als hoofdaannemer voor de Verenigde Naties en Nederland als trouwe NAVO-bondgenoot levert al zeven jaar méér dan evenredige militaire en financiële bijdragen. Anders dan de meeste NAVO-landen durfde Nederland het in 2005 ook aan troepen te leveren voor Zuid- Afghanistan, in het bijzonder voor Uruzgan.  Als minister van Defensie heb ik toen zonder omhaal van woorden tegen de politieke en militaire leiding van de NAVO gezegd dat we dat -onder voorbehoud van instemming van kabinet en parlement- voor twee jaar zouden doen en niet langer. Voorwaarden waren dat een capabel tweede land mee zou doen (dat werd Australië) en dat als tussentijds extra troepen nodig zouden zijn, de NAVO daarvoor zou zorgen. Maar de belangrijkste voorwaarde was dat de NAVO accepteerde dat de Nederlandse bijdrage in Uruzgan twee jaar zou duren en dat de opvolging niet een Nederlandse, maar een NAVO-verantwoordelijkheid was. De toen gemaakte afspraken zijn ten overvloede nog eens schriftelijk bevestigd. Ook de Afghaanse president Karzai en de Australische minister van Defensie Nelson wisten precies waar ze met Nederland aan toe waren, omdat ik het ze zelf heb gezegd: “We doen het voor twee jaar.”

De reden dat ik dit destijds zo benadrukte, was dat ik me realiseerde dat het einde van een bijdrage aan een internationale militaire missie net zo belangrijk is als het begin. En het einde kan alleen aan het begin goed geregeld worden. Ook voor Irak deden we destijds een toezegging voor een afgebakende periode, in dat geval twintig maanden. En twintig maanden na de aankomst van de eerste Nederlandse militair was de laatste weer vertrokken.  

We moeten afwachten welk besluit het kabinet op voorstel van de ministers Verhagen en Van Middelkoop zal nemen. Natuurlijk zijn er goede argumenten om te blijven, die zijn er altijd. In de Tweede Kamerfractie van de VVD hoop ik straks op gepaste wijze te kunnen bijdragen aan de discussie over de weging van die argumenten. 

Daarvoor is het wel eerst nodig dat ik mijn werk in Den Haag hervat. Al vier maanden ben ik uit de running en drie weken geleden is mijn linkerknie vervangen door een prothese. Het revalideren is begonnen en ik verwacht er na het oktoberreces van de Kamer weer bij te zijn.

Geplaatst op 3 sep. 2007.

Uitstel

Gisteren was ik voor enkele onderzoeken in het ziekenhuis. Daarna kreeg ik te horen dat het beter is om de voor morgen geplande operatie even uit te stellen. Er is eerst nog aanvullende behandeling nodig. Jammer, maar het is niet anders. Verwacht wordt dat ik binnen enkele weken alsnog aan de beurt kom.

Ik heb de afgelopen maand veel aardige brieven, kaarten, leuke attenties en mooie bloemen ontvangen van collega’s, medewerkers, journalisten en andere relaties. Hartelijk dank daarvoor.

Zodra mijn knie het toelaat, sta ik weer te trappelen om aan de slag te gaan.

Ik wens iedereen een goede zomer toe.

Geplaatst op 28 jun. 2007.

Zijlijn

Sinds begin mei ben ik uitgeschakeld vanwege een versleten knie. Zesendertig jaar geleden werd mijn binnenmeniscus verwijderd. Daar was eerst goed mee te leven, maar de laatste jaren namen de beperkingen en de pijn toe. Nu gaat het niet langer meer en twee weken geleden is tijdens een kijkoperatie vastgesteld dat het nodig is een prothese te plaatsen.

Deze operatie is gepland voor het einde van deze maand (juni). Ik hoop en verwacht drie maanden later, op 1 oktober, mijn werk in Den Haag weer voorzichtig te kunnen oppakken. In totaal zal ik dan vijf maanden uit de running zijn geweest. Geluk bij een ongeluk is dat het zomerreces van de Tweede Kamer in die periode valt.

Natuurlijk heb ik er de pest over in niet te kunnen doen waarvoor de kiezers me in de Kamer hebben gekozen. Mijn fractiegenoten –in het bijzonder Halbe Zijlstra- doen nu mijn werk erbij. In het najaar zal ik proberen het weer goed te maken.

Geplaatst op 11 jun. 2007.

Marokkanen

Na het Vragenuurtje op de dinsdagmiddag kom ik -op weg naar mijn werkkamer- op de roltrap naast mijn collega Khadija Arib te staan. Zonder iets te zeggen draait ze zich om en loopt naar boven de trap op. In de 13 jaar dat ik in en rond het Binnenhof werk, is me dit nog niet eerder overkomen, bedenk ik me.

Ik denk de laatste dagen toch al veel na over mijn medeburgers van Marokkaanse afkomst. Over de vrolijke, succesvolle jonge mannen en vrouwen die ik bij allerlei gelegenheden en overal in het land tegenkom. Morgen heb ik een afspraak met een van hen, een partijgenoot uit mijn eigen provincie Gelderland.

Maar vooral denk ik aan dat deel van de Marokkanen in onze steden waarmee het niet goed gaat en die langzamerhand een  bedreiging voor de toekomst van de Nederlandse samenleving vormen.

Toen ik in 1994 woordvoerder integratie van de VVD-fractie was, pleitte ik voor verplicht Nederlands leren, tegengaan van huwelijksimmigratie en afdwingen van werken in plaats van leven van een uitkering.  Ik pleitte ook voor systematisch betrekken van de ouders bij het onderwijs aan hun kinderen en geven van intensieve opvoedingsondersteuning. Nu, 13 jaar later, is de situatie aanmerkelijk verder verslechterd. In Amsterdam, waar 65.000 Marokkanen leven, verlaten 7 van de 10 Marokkaanse jongens het onderwijs zonder bruikbaar diploma en lopen alleen al in Amsterdam-West 900 Marokkaanse jongeren rond  zonder werk. Jongetjes van een jaar of 8 schelden op iedereen die ze tegenkomen en zijn volkomen onhandelbaar, om te beginnen voor hun falende ouders. Je zult ze als leerkracht maar in je klas hebben! In de steden groeien duizenden jonge Marokkanen op voor galg en rad. We weten dat met de jaren de meesten van hen steeds crimineler zullen worden.

Ik denk aan de politieagenten en de winkeliers in de wijken, aan de mensen die met tegenzin de straat opgaan, bang om lastig gevallen te worden. En ik denk aan de Marokkaanse jongen die ik tussen de middag in hartje Den Haag uit de Burger King zag komen, een papieren zak in de ene en een kartonnen beker cola in de andere hand. Hij stond stil voor een etalage en liet binnen twee minuten achtereenvolgens de zak, de wikkel om zijn hamburger, een papieren servet  en de leeg gedronken colabeker op de grond vallen. Toen liep hij weg, de toekomst tegemoet. Onze toekomst.

Het voelt niet goed om dit op te schrijven, omdat ik weet dat het negatief benaderen van een bevolkingsgroep -zeker door iemand in mijn positie- niets oplost, integendeel. Maar ik weet óók dat de problemen met een deel van de Marokkanen in ons land steeds groter, in plaats van kleiner worden.  Dat móeten we met elkaar onder ogen zien. We móeten er met elkaar zeer bezorgd over zijn, overeenstemming bereiken over een aanpak –wat mij betreft de aanpak waar ik in 1994 voor pleitte- en ons vervolgens eensgezind richten op de uitvoering daarvan.

Geplaatst op 25 apr. 2007.

Overgang

"Hoe bevalt het nu, weer terug in de Tweede Kamer?” Die vraag werd me de afgelopen weken vele malen gesteld. Mijn antwoord was dan: “Het is natuurlijk wel wennen. Als bewindspersoon kun je een grote organisatie aansturen. Je zegt wat er moet gebeuren en dat gebeurt dan ook, aangenomen dat je verstandige dingen zegt. Als ik als Kamerlid van een oppositiefractie zeg wat er moet gebeuren, gebeurt er vervolgens niets. Daar staat tegenover dat het fijn is opnieuw deel uit te maken van een team, de VVD-fractie.”

Ik ervaar de 22 leden tellende fractie inderdaad als een echt team, een prettige mix van goede, ervaren Kamerleden, oud-bewindspersonen en zich snel inwerkende nieuwkomers.

De vele nieuwkomers in het kabinet Balkenende-4 genieten nog steeds zichtbaar van het bewindspersoon zijn. Ze hebben vooralsnog weinig te duchten van de oppositie. Bij de behandeling in de Kamer van de schaarse beleidsvoornemens waar het kabinet mee komt, schakelen de linkse en rechtse oppositiepartijen elkaar bekwaam uit en zorgen de coalitiefracties voor de benodigde steun. Dat zal anders worden zodra ministers met uitvoeringsproblemen te maken krijgen, moeizame compromissen zoals het generaal pardon uitgewerkt moeten worden, of het niet lukt gewekte verwachtingen waar te maken. Ik denk aan Wouter Bos en de topinkomens.

De PVV in de Kamer is in de praktijk nog steeds de groep Wilders. Ik ben vooral bezorgd over zijn uitlating dat hij liever geen moslims in de regering ziet. Daar is hij te gemakkelijk mee weg gekomen. Als een politicus zou opmerken liever geen joden in de regering te zien, was het land te klein. Wat Wilders zei, was net zo kwalijk. Feit is dat er in ons land een miljoen moslims leven. Als die niet volwaardig mee doen, hebben we straks geen samenleving meer. Het uitsluiten, diskwalificeren of in de marge duwen van een groep medeburgers leidt altijd tot ellende.

Aan de afscheidsbijeenkomsten van Balkenende-3 komt langzamerhand een eind. Gisteravond werden we met zijn allen door de koningin en de kroonprins in paleis Noordeinde ontvangen. Dat bood ook de gelegenheid weer even bij te praten met mijn oud-collega Agnes van Ardenne (“Kamp moet uit de Tweede Kamer”). Agnes heeft het goed gedaan als minister van Ontwikkelingssamenwerking en ik zal de herinneringen aan de uitstekende samenwerking tussen OS en Defensie in de afgelopen vier jaren blijven koesteren.

Geplaatst op 12 apr. 2007.

Terug

foto Henk Kamp
Henk Kamp
RSS sitemap