|
Afgelopen week (oktober 2007) heb ik een reis gemaakt door het grote merengebied in Afrika. Op uitnodiging van het programma netwerk en ICCO heb ik een bezoek gebracht aan Oeganda, Burundi, Ruanda en de DRC. Hieronder zien jullie de weg die via Burundi en Ruanda loopt naar de DRC.

Aan de zijkant van de weg staan er af en toe hutjes.

Ook deze foto heb ik vanuit de auto genomen

En toen kwamen bij de grens van Ruanda met de Democratische Republiek Congo

Aangezien Afrikaanse regeringen er niet in slagen om belastingen te heffen gebeurt dat aan de grens. Dat is een ramp omdat het de handel ondermijnt. Handel is immers een grote bron van welvaart. In het onderstaande douanekantoortje moest de portemonnaie worden getrokken:

In Bunia hebben wij een trainingskamp van het Congolese leger bezocht waar rebellen worden geintegreerd met de regeringssoldaten. De gezinnen van de soldaten leven in een nabij gelegen kamp.
Soldaten en hun vrouwen maken hun eigen hutten. Vrouwen moeten, naar ik vrees, dagenlang lopen om hout te vinden:
Ook bezochten wij een lokale organisatie die ex-rebellen van de straat probeert te houden. De bijeenkomst vond plaats in een kerk. 
Een van de manieren om te voorkomen dat ex-rebellen weer lid worden van een militie is hen wegen laten verbeteren en vervolgens tol te heffen zodat zij inkomsten kunnen genereren. Het is niet te hopen dat deze aanpak teveel de handel tussen dorpjes frustreert! Hieronder ziet U hun tolbord:
Ook bezochten wij een vrouw die met een microkrdiet een wegrestaurant was begonnen waar de fietsers die allerlei produkten transporteren hun maaltijd kunnen gebruiken. 
Vervolgens vlogen wij van Bunia naar Entebbe in Oeganda. Aan het Victoriameer ontmoetten wij deze Karimbu:

Wat heb ik nu allemaal geleerd:
1. de micro-macro paradox is naar (het feit dat veel goede microprojecten geen gevolgen hebben voor de macroeconomie) maar het betekent wel dat het leven van veel mensen sterk verbeterd wordt
2. hulpverslaving is echt een groot probleem. ICCO doet er alles aan om het verschijnsel de kop in te drukken maar het viel mij op dat Afrikanen altijd met een wensenlijstje komen aanzetten: 'wanneer komen er nu banen?' In sommige gebieden zijn echt talloze ngo's actief terwijl de bevolking in kommervolle omstandigheden leeft.
3. als je de civil society sterker maakt dan is het nog maar de vraag of de lokale autoriteit daar democratisch op reageert. NGO's boeken succesen op het niveau van de civil society maar de bilaterale en multilaterale hulp lijkt niet goed in staat om de institutionele capaciteit op regeringsniveau te verhogen. Daarmee staan de successen op het niveau van de civil society ook op het spel.
4. Afrika zal nooit rijk worden als de positie van de vrouw niet verbetert. Er schijnen gebieden te zijn waar de positie van de vrouw beter is maar dat geldt niet voor de landen die ik bezocht.
5. Er dreigt een oorlog tussen Oeganda en de DRC over de olie die gevonden is onder het meer van Albert. Ligt hier niet een schone taak voor de Nederlandse diplomatie samen met de Amerikanen en de Britten? Indien deze oorlog kan worden afgewend blijven er een hoop mensen leven
6. Geen veiligheid zonder ontwikkeling en vice versa. Waarom kunnen wij geen OS geld gebruiken om het Congoleseleger te trainen?
7. In geen enkel Afrikaans land is ontwikkelingssamenwerking een voldoende en noodzakelijke voorwaarde voor significante economische groei. Om die reden valt er veel voor te zeggen om de hulp aan landen met relatief goed bestuur te verminderen en die aan post-conflictlanden te verhogen. In de DRC is er sprake van een vicieuze cirkel: hoge inkomsten uit mineralen waarmee rebellenlegers zich financieren en grote etnische tegenstellingen. Hierdoor laaien er steeds weer oorlogjes op. Zonder hulp van buitenaf komt de DRC er niet uit. |